3. Financieel Kader

3.1 Uitgangspunten begroting / meerjarenraming versus kadernota

Terug naar navigatie - 3.1 Uitgangspunten begroting / meerjarenraming versus kadernota - Tekstvak 1 Financieel kader

In november 2025 heeft de algemene vergadering de begroting 2026 en de meerjarenraming 2027-2030 vastgesteld. Hierin zijn de uitgangspunten, kostenstijgingen en de prognoses van de investeringsprojecten opgenomen voor het begrotingsjaar 2026 maar ook voor de jaren 2027-2030. Deze gegevens zijn in dit hoofdstuk geactualiseerd. 

Hieronder zijn de geactualiseerde uitgangspunten opgenomen:

  2026 2027 2028 2029 2030 2031

Inflatie (externe kosten):

  • begroting 2026 / mjr 2027-2030
    Kadernota 2027

 

2,6%

 

2,3%
2,1%

 

2,2%
2,5%

 

2,2%
2,1%

 

2,1%
2,3%  

 

-
2,1%

Loonontwikkeling

  • begroting 2026 / mjr 2027-2030
    Kadernota 2027

 

3,7%

 

5,1%
4,2%

 

4,2%
4,0%

 

4,5%
3,6%

 

4,5%
3,5%

 

-
3,3%

Rente nieuwe vaste geldleningen

  • begroting 2026 / mjr 2027-2030
    Kadernota 2027

 

nvt
nvt

 

nvt 
nvt

 

2% 
3,4%

 

2% 
3,4%

 

2%
3,4% 

 

-
3,4% 

Rente Schatkistbankieren

  • begroting 2026 / mjr 2027-2030
    Kadernota 2027

 

2,00%

 

2,00%
1,93%

 

2,00%
1,93%

 

2,00%
1,93%

 

2,00%
1,93%

 

-
1,93%

 

Inflatie:
De indexcijfers die bij de begroting 2026/meerjarenraming 2027-2030 en deze kadernota 2027 zijn gehanteerd zijn gebaseerd op de voorspelling van het CPB in het Centraal Economisch Plan (CEP). Dit wordt jaarlijks in februari gepubliceerd. De inflatie is gebaseerd op de hierin opgenomen CPI-index. De afwijkingen met begroting 2026/Meerjarenraming 2027-2030 zijn minimaal. 

Loonontwikkeling:
De huidige CAO heeft een looptijd tot en met eind 2026. Vanaf 2027 is gerekend met de CPI index uit het Centraal Economisch Plan (CEP).  De index is lager dan die van vorig jaar.

Rente vaste geldleningen:
De lopende rentekosten worden berekend op basis van de geldleningenportefeuille. In december 2023 is er, gezien de gunstige rentestand, een geldlening afgesloten van € 165 miljoen. Verwachting is dat pas in 2028 nieuwe langlopende financieringen afgesloten moeten worden. Tot die tijd worden de overtollige liquide middelen uitgezet bij het schatkistbankieren (zie renteopbrengst hieronder).
Het afsluiten van de geldlening eind december 2023 had een relatie naar de voorfinanciering van het HWBP-project Hansweert. Hiervan is slecht in beperkte mate sprake geweest. Dit komt omdat er naast de reguliere subsidievoorschotten ook aanvullende subsidievoorschotten op basis van de fysieke voortgang van het project zijn aangevraagd en ontvangen. 
Voor de nieuwe financieringen vanaf 2028 wordt vooralsnog uitgegaan van het huidige 15-jaars tarief. Marktanalisten verwachten voor de komende jaren geen terugkeer naar extreem lagere rentes. Wel mogelijk een lichte daling of stabilisatie bij een dalende inflatie en minder geopolitieke onrust. 

Rente (te ontvangen) schatkistbankieren:
Door de vaste geldlening die voor meerdere jaren is afgesloten is er een overschot aan liquide middelen. Het waterschap is verplicht dit onder te brengen bij het Rijk (schatkistbankieren). Bij de begroting 2026/ meerjarenraming 2027-2020 is rekening gehouden met een renteopbrengst van 2,0%. In de afgelopen 12 maanden lag het tarief rond 1,93%. Economen verwachten een lichte stabilisatie en pas op langere termijn mogelijk een daling, mits de inflatie afneemt. In deze kadernota is het tarief bijgesteld naar 1,93%. Bij de actualisatie van de netto kosten in het volgende hoofdstuk 3.2 is hiermee rekening gehouden.

3.2 Totale netto kostenstijging

Terug naar navigatie - 3.2 Totale netto kostenstijging - Totale netto kostenstijging

Op basis van de ontwikkelingen in deze kadernota is de verwachte kostenstijging voor 2027 9,9%. De kostenstijging zal worden gedekt door de waterschapsbelastingen. De tariefstelling van de belastingen ingezetenen, gebouwd, ongebouwd, natuur en zuiveringsheffing zal afhankelijk zijn van het aantal inwoners, WOZ waarde, hectares en vervuilingseenheden. Actualisatie van deze eenheden zullen we meenemen bij de tariefstelling 2027.

In deze kadernota is rekening gehouden met de actualisatie van de huidige meerjarenraming en de ontwikkeling die zijn opgenomen in deze kadernota, waarbij het uitgangspunt is dat incidentele kosten grotendeels gedekt worden uit de reserves. Vanuit de algemene reserves zal hiervoor een bestemmingsreserve worden gevormd.
Bij het opstellen van de begroting 2027 zal de definitieve inzet van de algemene reserve worden bepaald, rekening houdend met het reservebeleid dat is opgenomen in de nota weerstandsvermogen, risicomanagement, reserves en voorzieningen. 

Hieronder is kort de opbouw van de kostenstijging weergegeven. Bij de begroting 2027 zal de verdeling plaatsvinden tussen zuiveringsbeheer, watersysteembeheer en wegenbeheer bij een positieve besluitvorming over de invoering van de wegenheffing. Dit zal vertaald worden naar belastingtarieven per categorie. 

  1. In de huidige meerjarenbegroting 2027-2030 is rekening gehouden met een kostenstijging voor 2027 van 8,8%. Een stijging die voor 6,3% wordt veroorzaakt wordt door inflatie op externe kosten, hogere personeelskosten (CAO) en een stijging van de afschrijvings- en rentekosten als gevolg van een hoger investeringsvolume. Daarnaast is 2,5% van de stijging toe te rekenen aan het "wegvallen" van € 3,6 miljoen reserve-inzet in 2026 vooruitlopend op de invoering van de wegenheffing.
  2. De actualisatie van de meerjarenraming leidt tot een daling van de kosten in 2027 met -1,2%. Hierin is rekening gehouden met de volgende ontwikkelingen:
    • een lagere stijging van de CPB-index op de externe kosten (meerjarenraming 2027 2,3% versus kadernota 2027 2,1%;
    • een lagere stijging van de index op de personeelslasten (meerjarenraming 2027 5,1% versus kadernota 2027 4,2%;
    • voor de invulling van de vacatures in 2027 is rekening gehouden met een gemiddelde invulling van 30 formatieplaatsen per 1 juli 2027. In het jaar 2027 zal een inhaalslag gemaakt worden met de invulling van de vacatures, in deze kadernota zijn er dan ook geen nieuwe formatieplaatsen opgevoerd;
    • de energiekosten sluiten aan bij de in de meerjarenraming opgenomen prognose verhoogd met een te verwachten prijsstijging voor de netwerkkosten;
    • een stijging van de kapitaallasten met € 0,2 miljoen. Dit is opgebouwd uit afschrijvingen en rente. De afschrijvingen vallen in 2027 € 0,4 miljoen hoger uit, de netto rentekosten € 0,2 miljoen lager uit dan ingeschat bij de meerjarenraming 2027;
    • de verwachting is dat er pas na 2027 sprake is van voorfinanciering van de lopende HWBP-projecten. De voorfinanciering blijft afhankelijk van de toekenningen op basis van de programmering. In de vorige meerjarenraming was rekening gehouden met een voorfinanciering in 2027 van € 0,18 miljoen die gedekt werd uit de bestemmingsreserve;
    • voor de overheveling van de baggerprojecten van de investeringen naar de exploitatie (voorschriften) is een bedrag van € 0,7 miljoen toegevoegd aan de exploitatiekosten;
    • besluit van de algemene vergadering in april 2026 voor een toegroeiregeling tarief ongebouwd voor 2027 en 2028 met de invoering van de wegenheffing. Voor 2027 betreft dit een inzet uit de reserve van € 1,1 miljoen.
  3. In de kadernota zijn de ontwikkelingen opgenomen (zie hoofdstuk 2), omgerekend betekent dit een kostenstijging van 3,7% in 2027. Hiervan is 2,3% structureel en 1,4% incidenteel.
  4. Bij het opstellen van de begroting 2027 en meerjarenraming 2028-2031 zal worden bezien in hoeverre de kosten gedekt kunnen worden uit de algemene reserves. Evenals bij de kadernota 2026 is het uitgangspunt voor de incidentele kosten een bestemmingsreserve te vormen. Bij deze kadernota wordt er van uitgegaan dat de dekking uit de reserve resulteert in een kostenverlaging van 1,4% op basis van de incidentele kosten in 2027. Omdat de reserve wordt ingezet voor specifieke doeleinden zal deze inzet worden overgeheveld van de algemene reserve naar een bestemmingsreserve. De te vormen bestemmingsreserve ter dekking van de incidentele kosten bedraagt voor de periode 2027-2028 in totaal € 3,63 miljoen (Kadernota 2027). De huidige inzet van de reserve zoals opgenomen in de meerjarenraming en de dekking van de incidentele kosten uit deze kadernota passen binnen het reservebeleid. Een verdere toelichting op de reserveomvang vindt u hieronder onder "inzet reserves".

De opbouw van de kostenstijgingen zoals hiervoor vermeld is in onderstaande tabel weergegeven:

  2027
1. huidige meerjarenraming 2027-2030 8,8%  
2. actualisatie meerjarenraming 2027-2030 -1,2%  
Geactualiseerde meerjarenraming   7,6%
3. ontwikkelingen kadernota 2027 3,7%  
4. dekking uit algemene reserves (eenmalige kosten Kadernota 2027) -1,4%  
Netto stijging ontwikkelingen Kadernota 2027   2,3%
Totaal indicatie kostenstijging 2027   9,9%

Indicatie kostenstijging 2028 -2031: 
Een doorrekening laat vanaf 2028 een gemiddelde kostenstijging zien van rond de 8% per jaar. Naast de gehanteerde CPB indexcijfers voor externe kosten en loonstijging heeft de stijging te maken met hogere kapitaallasten door een stijgend investeringsniveau. Daarnaast is er sprake van herfinanciering tegen een hogere rente.
In 2030 kan dit hoger uitvallen door een hogere bijdrage aan het Deltafonds HWBP (vanaf 2030 tot 2036) in verband met de programmering van projecten op middellange termijn. 

Inzet reserves:
In de vastgestelde nota weerstandsvermogen, risicomanagement en reserves en voorzieningen is het reservebeleid opgenomen. Hierin is afgesproken is dat het surplus van de beschikbare algemene- en egalisatiereserves wordt ingezet in de periode van de begroting / meerjarenraming. In de door de algemene vergadering vastgestelde begroting 2026 / meerjarenraming 2027-2030 is hiermee rekening gehouden (voor een inzet van in totaal € 22,4 miljoen uit de algemene- en egalisatiereserves.

Op basis van de omvang van de reserve in de jaarrekening 2025 (inclusief het positieve resultaat), de begrotingswijzigingen 2026, de toegroeiregeling "wegenheffing" in 2027 en de in de meerjarenraming geplande inzet van de reserves bedraagt het saldo van de algemene- en egalisatiereserve eind 2030 € 20,1 miljoen. Hierdoor is er na deze actualisatie nog een surplus aanwezig van ca € 5 miljoen. Het surplus bedraagt de waarde boven de weerstandsratio van 2,0 x  de risico-omvang (= € 15 miljoen).  

Het surplus van € 5 miljoen kan extra worden ingezet bij het opstellen van de begroting 2027 en meerjarenraming 2028-2031. Een deel daarvan wordt ingezet om een bestemmingsreserve te vormen voor de eenmalige kosten uit deze kadernota (€ 3,6 miljoen). 

Saldo beschikbare algemene reserves en egalisatiereserves  x € 1 miljoen
saldo reserves eind 2025 (inclusief rekeningresultaat 2025) +42,9
toevoeging 2e begrotingswijziging 2026 (hogere dividenduitkering NWB) +1,1
toegroeiregeling "wegenheffing" 2027-2028 -1,5
inzet begroting 2026 (€ -12,7 miljoen) MJR 2027-2030 (€ -9,7 miljoen) -22,4
Subtotaal eind 2030 (op basis AV besluiten) 20,1
   
inzet inzet vanuit kadernota 2027 (eenmalige kosten) -3,6
Saldo eind 2030/2031  16,5