De gekwantificeerde operationele risico’s worden hieronder verder toegelicht. Hierbij is de volgorde van de geactualiseerde risico's (rekening 2025) aangehouden.
1. Gevolgen oorlog Iran op brandstofprijzen
De oorlog in Iran leidt tot hogere energie- en brandstofprijzen, wat direct doorwerkt in de kosten van ons waterschap. Volgens ramingen van het CPB zorgen de stijgende olie- en gasprijzen voor circa 0,6 procent extra inflatie. Dit vertaalt zich in zichtbaar hogere externe kosten. Bij een uitgavenniveau van € 65 miljoen aan goederen en diensten betekent dit een potentiële meerlast van ongeveer € 3,9 miljoen. Hoewel niet alle kosten direct energieafhankelijk zijn, werken prijsstijgingen in brandstoffen door in contractindexeringen en in essentiële werkzaamheden zoals transport, maaien, baggeren en het gebruik van chemicaliën. Daarnaast bestaat het risico op schaarste aan brandstoffen, wat de uitvoeringszekerheid van onze primaire taken verder onder druk kan zetten. De kans van optreden is als 'midden' gerubriceerd (50% = € 2.000.000,-).
2. Onzekerheid loonontwikkeling en krapte arbeidsmarkt
De werkelijke CAO-stijgingen van 2025 en 2026 passen binnen de begrotingscijfers. Hierdoor is er geen sprake meer van een risico op de loonontwikkeling voor deze jaren. Een aantal vacatures is gedurende het jaar intern of extern succesvol ingevuld. Op een deel van de openstaande vacatures is ingehuurd. Hiervoor is een contract met een broker om maximaal bereik te hebben in de huidige schaarse arbeidsmarkt en spoedig en rechtmatig in te huren om de continuïteit van het werk te waarborgen. De inhuurkosten konden in 2025 zijn opgevangen binnen de financiële ruimte die ontstond door openstaande vacatures.
Ook zijn er in 2026 nog vele vacatures in te vullen, door de krappe arbeidsmarkt is er naar verwachting extra inhuur noodzakelijk voor cruciale functies. De omvang van de onzekerheid loonontwikkeling en de krapte op de arbeidsmarkt is ingeschat op € 2.000.000,-. De kans van optreden is als 'midden' gerubriceerd (50% = € 1.000.000,-).
3. Renterisico schatkistbankieren
Eind 2023 zijn langjarige leningen afgesloten om de investeringsportefeuille voor de periode tot en met 2027 te financieren. Dat geld is in één keer ontvangen, maar wordt de komende jaren geleidelijk uitgegeven. De liquide middelen die op enig moment nog niet nodig zijn voor de financiering van investeringen moeten we uitzetten bij het schatkistbankieren van de Rijksoverheid. De vergoeding op het schatkistbankieren is in 2025 hoger gebleken dan waarmee in de begroting rekening gehouden was. Een negatief renterisico heeft zich dus niet voorgedaan.
In de begroting 2026 is de aanname gedaan dat de rentebaten op het schatkistbankieren 2% bedragen. Ten tijde van het opstellen van de begroting was de rente dalende ( begin 2026 1,93%). Afhankelijk van de renteontwikkelingen op het schatkistbankieren kan dit tot een nadeel (als de rente gemiddeld lager is dan 2%) leiden. De impact wordt gekwantificeerd op € 2.000.000,- (geen renteopbrengst), waarbij de kans van optreden wordt ingeschat op 'midden' (50% = € 1.000.000,-).
4. Mogelijke uitval of onderbreking van ICT middelen en processen
Voor de uitvoering van de taken is het waterschap in hoge mate afhankelijk van ICT middelen en geautomatiseerde processen. Deze digitalisering brengt risico’s met zich mee, zoals uitval of verstoring van systemen door technische storingen, cyberaanvallen, complexiteit van de ICT-infrastructuur of afhankelijkheden van leverancier. Dergelijke incidenten kunnen leiden tot het stilvallen van werkprocessen, verlies van gegevens of beperkingen in het bedienen van installaties. In 2025 hebben zich dergelijke incidenten niet voorgedaan.
Het voldoen aan de eisen uit de Baseline Informatiebeveiliging Overheid (BIO/BIO2) blijft daarbij een belangrijk aandachtspunt. Daarnaast is het waterschap voorbereid op de aankomende Cyberbeveiligingswet, die strengere eisen stelt aan cyberweerbaarheid en incidentafhandeling. Waar nodig worden mitigerende maatregelen genomen om risico’s te beperken en de continuïteit van de bedrijfsvoering te waarborgen. Niet naleving kan leiden tot handhavend optreden en bestuurlijke boetes tot € 10 miljoen. De omvang van dit risico wordt indicatief geraamd op € 5.000.000. De kans van optreden wordt als 'klein' ingeschat (17% = € 850.000,-).
5. Hoger uitvallen aanbestedingen dan begroot
In 2025 is duidelijk geworden dat aanbestedingen aanzienlijk hoger kunnen uitvallen dan vooraf begroot. Dit bleek onder meer uit het maaibestek, waar de kosten € 1,4 miljoen hoger uitvielen dan voorzien. Deze meerkosten zijn verwerkt in de begrotingswijziging 2025 en vanaf 2026 meegenomen in de begroting en het meerjarenraming. De marktontwikkelingen blijven echter ongunstig: prijsstijgingen, capaciteitskrapte en strengere eisen leiden tot structureel hogere inschrijvingen. Hierdoor blijft het risico bestaan dat toekomstige aanbestedingen wederom boven de raming uitkomen, ondanks reeds doorgevoerde ophogingen. De omvang van dit risico wordt geschat op € 1.500.000,-; de kans van optreden is als ‘midden’ gerubriceerd (50% = € 750.000,-).
6. Extra energiekosten riool- en poldergemalen door extreme neerslag
Een risico dat samenhangt met de klimaatverandering is de kans op hogere energiekosten door extreme neerslag. Extreme neerslag heeft dan vooral invloed op de energiekosten van riool- en poldergemalen. Voor de begroting 2026 is uitgegaan van ca. € 4,8 miljoen aan elektriciteitskosten voor de riool- en poldergemalen. Op basis van historische feiten kan er bij dit risico een maximale afwijking van 25% optreden in het geval het waterschap te maken krijgt met extreme neerslag. Dit leidt dan tot een financieel gevolg c.q. hogere energiekosten van € 1.200.000,-. De kans van optreden is gerubriceerd in de categorie 'midden' (50% = € 600.000,-).
7. Schade aan waterkeringen door extreme omstandigheden
Het waterschap heeft meerdere keren per jaar te maken met stormen variërend van licht tot zeer zwaar. Daarbij kan de periode tussen meerdere stormen kort zijn. Deze stormen komen ook steeds frequenter voor buiten het stormseizoen. De (grote) schade die een storm tot gevolg kan hebben betreft voornamelijk de waterkeringen assets. Er moet worden gedacht aan schade aan duinen, glooiingen, steenzettingen en kreukelbermen. Indien er sprake is van schade moeten er acute herstelwerkzaamheden worden gepleegd. Daarnaast kan ook extreem laag water zorgen voor schade aan waterkeringen en vooroevers. Dit zorgt voor onvoorziene kosten in het begrotingsjaar. De impact van dit risico wordt gechat op € 3.000.000,- waarbij de kans wordt gerubriceerd in de categorie 'klein' (17% = € 510.000,-).
8. BTW op pensioenpremie medewerkers
Op 30 september 2025 heeft het Hof Arnhem-Leeuwarden twee uitspraken gedaan met betrekking tot pensioenuitvoering en BTW. In deze uitspraken heeft het Hof - kort weergegeven - beslist dat de uitvoering van een pensioenregeling één dienst is die niet kwalificeert als een voor de BTW vrijgestelde verzekeringsdienst. Bij effectuering van deze uitspraken zou het pensioenfonds recht hebben op aftrek van voorbelasting en de volledige pensioenpremie belast zijn met BTW. Dit zou aanzienlijke financiële gevolgen voor ons waterschap hebben, omdat wij de betreffende BTW niet kunnen aftrekken.
Echter, de staatssecretaris van Financiën heeft op 12 november 2025 in een officiële mededeling kenbaar gemaakt dat hij deze Hof-uitspraken niet overneemt als uitgangspunt voor de belastbaarheid van pensioenpremies, mede omdat deze in tegenstelling zijn aan de uitspraak van het Hof Amsterdam uit 2023 met betrekking tot eenzelfde situatie. Tegen deze laatste uitspraak heeft belanghebbende beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad. Zolang de Hoge Raad in die procedure geen uitspraak heeft gedaan, blijft het uitgangspunt voor de staatssecretaris en de Belastingdienst dat de pensioenuitvoering als één vrijgestelde dienst moet worden aangemerkt, overeenkomstig de uitspraak van Hof Amsterdam. Voor pensioenfondsen die het standpunt van staatssecretaris/Belastingdienst (blijven) toepassen, waaronder het ABP, is er geen verplichting om BTW over de pensioenpremie te berekenen. Gecombineerd met het feit dat de uitspraak van de Hoge Raad in de cassatieprocedure geen terugwerkende kracht heeft, betekent dit dat er op het moment van schrijven geen wijzigingen optreden in de praktijk: het ABP zal vooralsnog geen BTW in rekening brengen en dat ook over 2025 en voorgaande jaren niet doen.
Op het moment van schrijven is de stand van zaken van de cassatieprocedure bij de Hoge Raad dat eerst de Advocaat-Generaal een conclusie zal trekken. De verwachting van het ministerie van Financiën is dat dit op zijn vroegst eind maart 2026 het geval zal zijn. Over het moment waarop de Hoge Raad vervolgens uitspraak zal doen, is volgens het ministerie op het moment van schrijven nog niets te zeggen. Mocht de Hoge Raad in 2026 besluiten dat de pensioenuitvoering geen BTW-vrijgestelde dienst is, dan zijn er voor het waterschap alleen over 2026 financiële consequenties. Na overgang op het nieuwe pensioenstelsel, wat het ABP op 1 januari 2027 doet, zijn pensioenfondsen aangemerkt als beleggingsfondsen, waarvan de diensten van BTW zijn vrijgesteld. Na 2026 doet deze BTW-problematiek zich überhaupt dus niet meer voor. Op basis van de in de begroting 2026 af te dragen pensioenpremie bedraagt de BTW ca. € 2.000.000,- waarbij de kans van optreden is ingeschat op 'klein' (17% = € 340.000,-).
9. Extra inzet gladheidbestrijding als gevolg van buitengewoon winterweer
Ondanks de structureel stijgende temperaturen als gevolg van klimaatverandering blijft het risico op extreem winterweer onverminderd aanwezig. Dergelijke omstandigheden kunnen leiden tot een aanzienlijke extra inzet in het kader van de gladheidbestrijding om de verkeersveiligheid op het wegennet te waarborgen. In de begroting wordt voor een regulier strooiseizoen uitgegaan van circa € 1,75 miljoen, gebaseerd op gemiddeld 26 preventieve acties, 10 brugacties en 5 curatieve acties. In 2025 heeft dit risico zich niet in afwijkende mate voorgedaan en bleven de kosten in lijn met de begroting. Voor 2026 hebben de extreme weersomstandigheden in januari en februari echter reeds geleid tot extra inzet, met naar verwachting aanvullende kosten tot gevolg. Gezien de toegenomen kostenniveaus en de weersontwikkelingen wordt de financiële impact ingeschat op ca. € 500.000,- per jaar, waarbij de kans van optreden wordt gerubriceerd als 'midden' (50% = € 250.000,-).
10. Calamiteiten/extra (exploitatie) kosten door uitstel projecten rioolgemalen, poldergemalen en zuiveringen
Vanwege de keuzes die gemaakt moeten worden in de programmering van de projecten worden enkele projecten voor de instandhouding van poldergemalen en zuiveringen verder in de tijd opgeschoven. Inmiddels liggen de investeringsprojecten van rioolgemalen op schema. Het later voorbereiden en realiseren kan leiden tot functieverlies van de verschillende installaties met kans op overschrijding van normen. Om functieverlies te voorkomen zal het onderhoud toenemen en daarmee de onderhoudskosten. De impact van dit risico wordt ingeschat op € 300.000,-, waarbij de kans van optreden is gerubriceerd in de categorie 'groot' (83% = € 249.000,-).
(Valt buiten top 10) Hitteschade aan wegen
Langdurige periodes van droogte en hitte vergroten het risico op schade aan het wegennet, met name op trajecten met veenachtige en zettingsgevoelige ondergronden. De uitzonderlijke droogte in het afgelopen jaar heeft reeds geleid tot aanzienlijke verzakkingen van betonplaten op diverse betonwegen. Acute herstelmaatregelen konden binnen de reguliere onderhoudsbudgetten worden opgevangen, maar structureel onderhoud is noodzakelijk. Gezien de bodemgesteldheid zijn onderhoudskosten hoog. Verdiepend onderzoek is noodzakelijk om te komen tot een doelmatige en duurzame aanpak. De exacte omvang van de schade is op dit moment nog onvoldoende inzichtelijk, waardoor sprake is van een reëel risico op een onverwacht grotere onderhoudsopgave. Op basis van een eerdere schade-inventarisatie wordt bij het optreden van dit risico rekening gehouden met een potentiële financiële impact tot circa € 200.000,- waarbij de kans van optreden als 'groot' wordt ingeschat (83% = € 166.000,-). Door het optreden van nieuwe risico’s is dit risico niet langer opgenomen in de top-10 operationele risico's.
(Valt buiten top 10) Schending van de AVG Privacywet
Uit de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) vloeien verplichtingen voort voor alle organisaties, waaronder waterschap Scheldestromen. Niet-naleving kan leiden tot boetes van de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) en schadeclaims van betrokkenen, zoals burgers of medewerkers. In 2025 heeft zich geen overtreding voorgedaan die heeft geleid tot een boete van de AP of schadeclaims van betrokkenen.
Voor de berekening van de benodigde weerstandscapaciteit wordt bij het optreden van dit risico rekening gehouden met een potentiële financiële impact van circa € 415.000,-, waarbij de kans van optreden als ‘klein’ wordt ingeschat (17% = € 71.000,-). Door het optreden van nieuwe risico’s is dit risico niet langer opgenomen in de top-10 operationele risico's.
(vervallen) Aanbesteding maaien waterlopen valt duurder uit
De aanbesteding heeft in 2025 plaatsgevonden, waarbij de kosten aanzienlijk hoger zijn uitgevallen (circa € 1,4 miljoen per jaar). Dit betekent dat het risico zich heeft gemanifesteerd. Voor 2025 is hiervoor een begrotingswijziging vastgesteld. Vanaf 2026 zijn de extra kosten structureel verwerkt in de begroting en de meerjarenraming, waardoor het risico is komen te vervallen.